Uitzichtheuvel in het Dalum-Wietmarscher Moor
Het 1.580 hectare grote natuurreservaat Dalum-Wietmarscher Moor behoort tot een Europees vogelreservaat. De bescherming van steltlopers en weidevogels is van bijzonder belang.
Het natuurgebied Dalum-Wietmarscher Moor ligt in de natuurregio "Oost-Fries-Oldenburg Geest". Het was het zuidoostelijke deel van de Bourtanger Moor, vroeger het grootste aaneengesloten hoogveengebied van Centraal-Europa. De Bourtanger Moor besloeg oorspronkelijk een gebied van circa 1.200 km², waarvan twee derde (circa 800 km²) aan de Nederlandse kant en een derde (circa 400 km²) aan de Duitse kant lag. Hoewel de kolonisatie van het veengebied historisch gezien al in de 17e eeuw begon, startte de grootschalige, door de staat gesponsorde ontwikkeling in de 20e eeuw. In 1945 was ongeveer 2.000 hectare in cultuur gebracht door de Rijksarbeidsdienst en veroordeelden. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich talloze ontheemden in het gebied als gevolg van de toestroom van vluchtelingen. In mei 1950 nam de Duitse Bondsdag het Emslandplan aan, een alomvattend tienjarenplan voor de ontwikkeling van de regio. Tegen 1954 was er al zo'n 14.000 hectare in cultuur gebracht. In tegenstelling tot de oude Nederlandse veenlandbouw werden de ondiepe veengebieden bewerkt met de enorme Ottomeyer-ploeg, waarbij een zandmengmethode werd toegepast. Gebieden met dikkere veenlagen werden drooggelegd, ontwikkeld als "Duitse hoogveencultuur" of industrieel ontgonnen. De gebieden die vanaf de uitkijkheuvel zichtbaar zijn, werden tot 18 augustus 2016 industrieel ontgonnen. De eerste pachtovereenkomsten voor de ontginning dateren uit 1967. Sinds 2006 zijn de ontgonnen gebieden geleidelijk teruggegeven aan de Rijksveenlandadministratie, die zich nu bezighoudt met revitaliseringsprojecten.
De gebieden waar veen wordt gewonnen, worden weer nat en ontwikkelen zich tot hoogveenhabitats met grote, open hoogveengebieden. Het omliggende hoogveenweidegebied wordt uitgebreid beheerd en biedt talloze weidevogels geschikte broed- en voedselgebieden.
Op een licht glooiend reliëf van wijdverspreid gepodzoliseerd fijn zand werd een 1–5 dm dikke laag zeggeveen gevonden met resten van berken en bruin mos. Daarboven, of gedeeltelijk direct op het kale zand groeiend, lag 1–2 m matig tot sterk ontbonden Sphagnum-veen (zwart veen), dat bedekt werd door 0,6–1,2 m licht ontbonden wit veen (SCHNEEKLOTH 1981).
De uitkijkheuvel in het oostelijke deel van natuurgebied Dalum-Wietmarscher Moor biedt een indrukwekkend 360-graden panoramisch uitzicht. Vanaf hier is het veranderde landschap duidelijk zichtbaar: de grootschalige polders maken de vernatte gebieden in het terrein direct herkenbaar. Waar ooit industrieel veen werd gewonnen, zijn nu slechts restanten van de oorspronkelijke veenlagen overgebleven. De transformatie naar een nieuw 'veenlandschap in wildernis' kan men hier van dichtbij meemaken – vaak geholpen door schapen en geiten, die als natuurlijke landschapsbeheerders fungeren en de gebieden openhouden.
Het natuurgebied Dalum-Wietmarscher Moor ligt in de natuurregio "Oost-Fries-Oldenburg Geest". Het was het zuidoostelijke deel van de Bourtanger Moor, vroeger het grootste aaneengesloten hoogveengebied van Centraal-Europa. De Bourtanger Moor besloeg oorspronkelijk een gebied van circa 1.200 km², waarvan twee derde (circa 800 km²) aan de Nederlandse kant en een derde (circa 400 km²) aan de Duitse kant lag. Hoewel de kolonisatie van het veengebied historisch gezien al in de 17e eeuw begon, startte de grootschalige, door de staat gesponsorde ontwikkeling in de 20e eeuw. In 1945 was ongeveer 2.000 hectare in cultuur gebracht door de Rijksarbeidsdienst en veroordeelden. Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich talloze ontheemden in het gebied als gevolg van de toestroom van vluchtelingen. In mei 1950 nam de Duitse Bondsdag het Emslandplan aan, een alomvattend tienjarenplan voor de ontwikkeling van de regio. Tegen 1954 was er al zo'n 14.000 hectare in cultuur gebracht. In tegenstelling tot de oude Nederlandse veenlandbouw werden de ondiepe veengebieden bewerkt met de enorme Ottomeyer-ploeg, waarbij een zandmengmethode werd toegepast. Gebieden met dikkere veenlagen werden drooggelegd, ontwikkeld als "Duitse hoogveencultuur" of industrieel ontgonnen. De gebieden die vanaf de uitkijkheuvel zichtbaar zijn, werden tot 18 augustus 2016 industrieel ontgonnen. De eerste pachtovereenkomsten voor de ontginning dateren uit 1967. Sinds 2006 zijn de ontgonnen gebieden geleidelijk teruggegeven aan de Rijksveenlandadministratie, die zich nu bezighoudt met revitaliseringsprojecten.
De gebieden waar veen wordt gewonnen, worden weer nat en ontwikkelen zich tot hoogveenhabitats met grote, open hoogveengebieden. Het omliggende hoogveenweidegebied wordt uitgebreid beheerd en biedt talloze weidevogels geschikte broed- en voedselgebieden.
Op een licht glooiend reliëf van wijdverspreid gepodzoliseerd fijn zand werd een 1–5 dm dikke laag zeggeveen gevonden met resten van berken en bruin mos. Daarboven, of gedeeltelijk direct op het kale zand groeiend, lag 1–2 m matig tot sterk ontbonden Sphagnum-veen (zwart veen), dat bedekt werd door 0,6–1,2 m licht ontbonden wit veen (SCHNEEKLOTH 1981).
De uitkijkheuvel in het oostelijke deel van natuurgebied Dalum-Wietmarscher Moor biedt een indrukwekkend 360-graden panoramisch uitzicht. Vanaf hier is het veranderde landschap duidelijk zichtbaar: de grootschalige polders maken de vernatte gebieden in het terrein direct herkenbaar. Waar ooit industrieel veen werd gewonnen, zijn nu slechts restanten van de oorspronkelijke veenlagen overgebleven. De transformatie naar een nieuw 'veenlandschap in wildernis' kan men hier van dichtbij meemaken – vaak geholpen door schapen en geiten, die als natuurlijke landschapsbeheerders fungeren en de gebieden openhouden.
Gut zu wissen
auteur
Licentie (stamgegevens)
Emsland Toerisme GmbH
In de buurt







